Wat is ook alweer het verschil tussen de verschillende bouwactiviteiten op grond van de Omgevingswet? En wat zijn de daarbij behorende vergunningsplichten en uitzonderingen?
Uit de praktijk blijkt dat er na de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog steeds onduidelijkheid bestaat over de verschillende bouwactiviteiten die sinds 1 januari 2024 gelden. Waar op grond van de Wabo altijd sprake was van één bouwactiviteit, is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij het bouwen van een bouwwerk sprake van een knip en daardoor vaak sprake van twee bouwactiviteiten:
- de technische bouwactiviteit en
- de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (de ruimtelijke bouwactiviteit).
Beide bouwactiviteiten kennen eigen regels over de vergunningplicht en de uitzonderingen daarop. Hieronder wordt een en ander nog eens toegelicht.
Technische bouwactiviteit
De technische bouwactiviteit heeft betrekking op de technische kwaliteit en veiligheid van het bouwwerk, zoals constructieve veiligheid, brandveiligheid en de bouwtechnische voorschriften.
Voor de technische bouwactiviteit gelden drie verschillende regiems: een vergunningplicht, een meldingsplicht of geen van beiden:
- de vergunningplicht is beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken met een dak (artikel 2.25 Bbl) en bouwwerken zonder dak (artikel 2.26 Bbl);
- de meldingsplicht geldt indien de technische bouwactiviteit onder het stelsel van kwaliteitsborging valt (artikel 2.18 Bbl);
- indien een bouwactiviteit voldoet aan de voorwaarden in artikel 2.27 Bbl, dan geldt geen vergunningplicht én geen meldingsplicht. Het gaat om bouwwerken zoals een dakkapel, een dakraam, een gevelpaneel, een vlaggenmast, etc., mits ze aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen.
Ook als geen vergunningplicht of meldingsplicht geldt moet een bouwwerk altijd aan de technische eisen omtrent veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid in het Bbl voldoen.
Omgevingsplanactiviteit bouwwerken (ruimtelijke bouwactiviteit)
Anders dan onder de Wabo, bepaalt de wetgever niet langer of een vergunningplicht geldt voor het bouwen van een bouwwerk. Iedere gemeente moet zelf in het omgevingsplan aangeven:
- of een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk geldt;
- voor welke bouwwerken die plicht geldt en
- aan welke regels moet worden voldaan om een vergunning te verkrijgen.
Veelal moet een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in ieder geval getoetst worden aan de gebruiks- en bouwregels in het omgevingsplan en aan de omgevingskwaliteitseisen (voorheen de welstandseisen).
Om te voorkomen dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet ineens geen vergunningplicht meer voor het bouwen van bouwwerken zou gelden, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (dat automatisch na de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstond) een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk was opgenomen. Bij de omzetting van alle bestemmingsplannen naar het permanente deel van het omgevingsplan moeten gemeenten die vergunningplicht beoordelen en kan deze worden aangepast.
Wat zijn de uitzondering op de vergunningplicht?
De wetgever heeft een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken opgenomen in het Bbl (artikel 2.29). Het gaat om bouwwerken zoals een dakkapel, een dakraam, een kozijn, een zonwering, een vlaggenmast, etc., mits deze aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Deze bouwwerken mogen in het omgevingsplan dus niet vergunningplichtig worden gemaakt. De uitzonderingen van de wetgever zijn overigens niet of slechts deels van toepassing als het gaat om bouwactiviteiten in, aan, op of bij een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument of op een locatie in rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht (hierna verder aan te duiden als cultureel erfgoed).
Omdat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet meer uitzonderingsgevallen golden en gemeenten zelf aanvullende uitzonderingen op de vergunningplicht in het omgevingsplan mogen opnemen, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (dat automatisch na de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstond) ook de voorheen geldende uitzonderingen op de vergunningplicht zijn opgenomen. Daarbij heeft de wetgever – net als onder de Wabo – onderscheid gemaakt tussen:
- vergunningvrije bouwactiviteiten die aan de daaraan gestelde voorwaarden én nog aan de bouw- en gebruiksregels in het omgevingsplan moeten voldoen (artikel 22.27 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) en
- vergunningvrije bouwactiviteiten die aan de daaraan gestelde voorwaarden moeten voldoen maar van rechtswege aan het omgevingsplan voldoen en dus niet meer aan het omgevingsplan hoeven te worden getoetst (artikel 22.36 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan).
Ook voor deze vergunningvrije bouwactiviteiten heeft de wetgever geregeld dat toch een vergunningplicht geldt indien sprake is van cultureel erfgoed of vanwege externe veiligheid.
Hoe heeft de gemeente Amsterdam de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en de uitzonderingen daarop vormgegeven in het Omgevingsplan Amsterdam?
Zoals verwacht, is in het Omgevingsplan Amsterdam nog steeds een algemene vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken opgenomen.
De gemeente Amsterdam heeft inmiddels zelf uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen in het Omgevingsplan Amsterdam. Daarmee zijn de artikelen 22.27 en 22.36 in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Amsterdam komen te vervallen.
Net als onder de Wabo, wordt onderscheid gemaakt tussen bouwactiviteiten die nog wel en niet meer aan het Omgevingsplan moeten worden getoetst:
- in artikel 4.12 van het Omgevingsplan Amsterdam zijn de vergunningvrije bouwactiviteiten opgenomen die aan de daarin gestelde voorwaarden én nog aan het Omgevingsplan Amsterdam moeten worden getoetst, een vergunning is/kan wel vereist zijn als het gaat om cultureel erfgoed en als er onderzoek vanwege archeologie is vereist;
- in artikel 5.8 van het Omgevingsplan Amsterdam zijn de vergunningvrije bouwactiviteiten opgenomen die wel aan de daarin gestelde voorwaarden maar niet meer aan het Omgevingsplan Amsterdam hoeven te worden getoetst, ook hier geldt weer dat een vergunning toch vereist is/kan zijn indien sprake is van cultureel erfgoed, vanwege externe veiligheid of als uit een oud bestemmingsplan volgt dat gronden niet als erf kunnen worden aangemerkt.
Kortom
Het is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet zo makkelijk meer om vast te stellen of sprake is van een vergunningplichtige bouwactiviteit. Vanwege de knip tussen de technische en de ruimtelijke bouwactiviteit luistert het nauw om alle vergunningplichten en de uitzondering daarop na te gaan. Daarbij dient tevens te worden beoordeeld of aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan en of toch sprake is van een vergunningplicht vanwege bijvoorbeeld cultureel erfgoed.
Indien u naar aanleiding van deze nieuwsflits of anderszins vragen en/of opmerkingen heeft, dan kunt u zich wenden tot mr. Femke van der Heijden op telefoonnummer 020 – 305 83 83.