Netcongestie, de uitvoerbaarheid van plannen en het relativiteitsbeginsel
Het heeft volop aandacht in de media: de overbelasting van het elektriciteitsnet waar ons land mee kampt. De nood is zo hoog dat de regels per 1 juli (vandaag) zijn aangescherpt. Tot vandaag kregen kleinverbruikers nog voorrang als zij een nieuwe of zwaardere stroomaansluiting wensten. Nu krijgen alleen nog de volgende drie groepen gebruikers voorrang:
- oplossingen die het volle stroomnet ontlasten, zoals grote batterijen;
- organisaties die nodig zijn voor de nationale veiligheid, zoals ziekenhuizen en defensie;
- belangrijke basisbehoeften, zoals woningen, scholen en openbaar verfvoer.
Netcongestie kan ook een rol spelen bij de verlening van een omgevingsvergunning of de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan. Dan dient immers beoordeeld te worden of een aanvraag of plan uitvoerbaar is. Uit de jurisprudentie blijkt dat een besluit vanwege de onuitvoerbaarheid van een plan alleen kan worden vernietigd indien het bevoegd gezag op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd. Dit wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst.
Uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter blijkt dat niet snel aangenomen wordt dat netcongestie aan de uitvoerbaarheid van een aanvraag of plan in de weg staat. In uitspraken uit 2024 en 2025 werd onder meer van belang geacht dat een perceel al over een zware aansluiting beschikte of dat overleg met de netbeheerder had plaatsgevonden en geen knelpunten voor aansluiting waren voorzien.
Ook in uitspraken van rechtbanken wordt deze lijn aangehouden. Zo heeft de rechtbank Rotterdam in haar uitspraak van 3 april jl. geoordeeld dat netcongestie de uitvoerbaarheid van het aan de orde zijnde plan voor een zonnepark niet in de weg staat omdat Stedin betrokken was bij de Regionale Energiestrategie en had geconcludeerd dat er voldoende ruimte op het netwerk was voor het vergunde zonnepark.
In die uitspraak van de rechtbank Rotterdam komt tevens de vraag aan de orde of belanghebbenden zich in het kader van de uitvoerbaarheid van een plan op netcongestie kunnen beroepen of dat het relativiteitsbeginsel daaraan in de weg staat. Het relativiteitsbeginsel houdt in dat geen beroep op regels kan worden gedaan indien deze niet strekken tot bescherming van de belangen van degene die zich op de regels beroept. De rechtbank Rotterdam oordeelt dat het relativiteitsbeginsel niet in het geding is. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kunnen belanghebbenden zich ook op netcongestie beroepen. Netcongestie kan belanghebbenden immers raken in de gebruiksmogelijkheden van hun eigen perceel. Verder geldt dat ook voorkomen moet worden dat eisers worden geconfronteerd met de nadelige ruimtelijke gevolgen van een bestemming die niet uitvoerbaar is.
Ik verwacht dat netcongestie steeds belangrijker gaat worden bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een plan. Het is dus verstandig de netbeheerder bij je plannen te betrekken zodat je dat kunt aanvoeren zodra de uitvoerbaarheid van het plan vanwege netcongestie ter discussie wordt gesteld.
Mag een “echte” aanvraag worden geweigerd na een positieve beoordeling van het plan in een concept-aanvraag of is dat in strijd met het vertrouwensbeginsel?
In de uitspraak van 19 juni jl. heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat het college een aanvraag om omgevingsvergunning mag weigeren ook al was de concept-aanvraag van dat plan positief beoordeeld door het college.
Waar ging de uitspraak over? De aanvrager wilde een opslagruimte in een woonwijk verbouwen naar een opslagruimte met kantoorruimte. Dat plan was in strijd met de geldende bestemming “Wonen” maar werd positief door het college beoordeeld nadat daarvoor een concept-aanvraag was ingediend. Toch weigerde het college nadien de “echte” aanvraag om omgevingsvergunning voor het plan. Volgens het college was het plan niet in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De rechtbank oordeelt in de eerste plaats dat het college beoordelingsruimte heeft bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit omvat volgens de rechtbank niet alleen de ruimtelijke gevolgen van het plan maar ook de wijze waarop het gemeentebestuur invulling wenst te geven aan schaarse ruimte ten behoeve van specifieke functies. In dit geval mocht het college het behoud van woonwijken zonder functiemenging van belang achten.
Daarna beantwoordt de rechtbank de vraag of door de positieve beoordeling van de concept-aanvraag gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt die moeten worden gehonoreerd. De aanvrager deed dus een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt negatief. Ook als er sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, betekent dat volgens de rechtbank niet altijd dat deze verwachtingen moeten worden gehonoreerd. Het is immers mogelijk dat er andere belangen zijn die zwaarder wegen dan het belang van de aanvrager. Die belangen kunnen volgens de rechtbank gelegen zijn in het algemeen belang én belangen van derden. In dit geval mocht het college volgens de rechtbank de integriteit van de woonfunctie van de woonwijk en de leefbaarheidsbelangen van de direct omwonenden zwaarder laten wegen dan het belang van de aanvrager om de gewekte verwachtingen te honoreren.
Uit de uitspraak blijkt niet hoeveel tijd er tussen de concept-aanvraag en de “echte” aanvraag om omgevingsvergunning zit. Dat is dus ook geen onderdeel geweest van de beoordeling door de rechtbank. De vraag is ook of dat van belang is. In het omgevingsrecht spelen zeer veel verschillende belangen een rol en die moeten bij de behandeling van een aanvraag om omgevingsvergunning tegen elkaar afgewogen worden.
Kortom: ook al is een plan positief beoordeeld in een concept-aanvraag, dan is dat geen garantie dat de omgevingsvergunning voor het plan ook daadwerkelijk verkregen wordt!
Indien u naar aanleiding van deze nieuwsflits of anderszins vragen en/of opmerkingen heeft, dan kunt u zich wenden tot mr. Femke van der Heijden op telefoonnummer 020 – 305 83 83.