De vergunningplicht en het toevoegen van een bouwwerk aan een bestaand bouwwerk met een dak
Voor de vraag of een vergunningplicht geldt voor een technische bouwactiviteit wordt in de artikelen 2.25 en 2.26 Bbl van belang geacht of een bouwwerk een dak heeft. Zo is in artikel 2.25 bepaald dat de vergunningplichtig geldt “voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak” (mits ook aan andere voorwaarden wordt voldaan). Voorts is in artikel 2.26 Bbl bepaald dat een vergunningplichtig geldt “voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak” (mits eveneens aan aanvullende voorwaarden wordt voldaan).
Indien de bouwactiviteit betrekking heeft op een volledig nieuw te bouwen bouwwerk, dan is direct duidelijk of het plan betrekking heeft op een bouwwerk met of zonder dak. Denk aan het bouwen van een nieuwe schuur met een dak of het bouwen van een scheidsmuur zonder dak. Dat is lastiger te beoordelen als het gaat om een bouwactiviteit aan, in of op een bestaand bouwwerk. Wat is dan immers bepalend: of het bestaande bouwwerk waaraan een bouwactiviteit plaatsvindt een dak heeft of dat de bouwactiviteit zelf betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk met of zonder een dak?
Op de website van het IPLO wordt bepalend geacht of de bouwactiviteit zelf betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk met of zonder dak. Dus als een dragende muur in een gebouw met een dak wordt verwijderd, dan heeft de bouwactiviteit volgens het IPLO geen betrekking op een bouwwerk met een dak. Wordt een dakkapel in een bestaand gebouw geplaatst, dan heeft de bouwactiviteit volgens IPLO wel betrekking op het bouwen van een bouwwerk met een dak. In dat verband verwijst het IPLO naar de in november 2024 gewijzigde toelichting op de artikelen 2.25 en 2.26 Bbl. In de toelichting op die artikelen is het volgende opgenomen:
“De artikelen 2.25 en 2.26 bevatten de aanwijzing van de vergunningplichtige bouwactiviteiten die betrekking hebben op bouwwerken respectievelijk met en zonder dak. Daarbij wordt er voor de duidelijkheid op gewezen dat de in die artikelleden gegeven criteria voor de omschrijving van de vergunningplichtige bouwactiviteiten zien op de beoogde bouwactiviteit zelf en niet op een bouwwerk waaraan de bouwactiviteit wordt verricht.”
Volgens het IPLO en de toelichting op het Bbl is dus van belang of de bouwactiviteit zelf betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk met of zonder dak.
De vraag is of dat correct is gelet op de letterlijke tekst van de omschrijving van de vergunningplichtige bouwactiviteit in artikel 2.25 Bbl. Daarin is immers van belang geacht of de bouwactiviteit betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak. Volgens de hoogste bestuursrechter dient ook altijd naar de wettekst te worden gekeken indien de wettekst en de toelichting daarop niet eenduidig zijn. Voorts is in de eerdere toelichting op artikel 2.25 Bbl een voorbeeld opgenomen waaruit lijkt te moeten worden opgemaakt dat toch moet worden gekeken naar het bouwwerk waaraan, waarin of waarop een bouwactiviteit wordt verricht. Het voorbeeld ziet namelijk op het plaatsen van een dakraam in een bestaande uitbouw en wordt getoetst aan artikel 2.25 Bbl. Ondanks dat het te bouwen dakraam geen dak heeft dient het volgens de toelichting dus toch aan artikel 2.25 Bbl te worden getoetst dat gaat over een “bouwactiviteit die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak”.
Inmiddels heeft de rechtbank Noord-Nederland zich over deze vraag uitgelaten: gekeken dient te worden naar het bouwwerk waaraan, waarin of waarop een bouwwerk wordt gebouwd. In die zaak is het oordeel echter gebaseerd op de oude, nog niet gewijzigde toelichting op artikel 2.25 Bbl. Gelet op het voorgaande, is het maar de vraag of de inmiddels gewijzigde toelichting op artikel 2.25 Bbl tot een ander oordeel zou leiden.
Totdat hier meer jurisprudentie over verschijnt en/of de hoogste bestuursrechter hier een oordeel over geeft, is het dus verstandig te bekijken of het bouwwerk waaraan, waarin of waarop een bouwactiviteit wordt verricht een dak heeft (en dus niet of het te bouwen bouwwerk een dak heeft).
Een bestuursorgaan kan niet oeverloos een vergunning weigering zonder deugdelijke motivering
Helaas komt het nog steeds voor dat ook na een rechterlijk oordeel nog moet worden geprocedeerd over een besluit. Bijvoorbeeld omdat een bestuursorgaan een vergunning weigert en telkens een andere motivering aan die weigering ten grondslag legt.
Zo ook in het geval van een geweigerde aanlegvergunning voor het aanleggen van een waterpartij op een perceel met een camping. Op grond van het oude bestemmingsplan geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van werkzaamheden. Volgens het bestuursorgaan moet de aanvraag geweigerd worden omdat de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden van het gebied door de aanvraag onevenredig worden aangetast. Het college heeft al meerdere keren de gelegenheid gekregen argumenten aan te dragen waarom sprake is van een onevenredige aantasting. Die pogingen slagen telkens niet. Omdat het college geen andere weigeringsgronden heeft aangevoerd, bepaalt de Afdeling in haar uitspraak van 25 maart 2026 dat in het nieuw te nemen besluit de omgevingsvergunning moet worden verleend.
Dankzij de finale geschillenbeslechting door de Afdeling krijgt het college geen nieuwe herstelpoging zodat daarover niet meer kan worden geprocedeerd, er wordt dus korte metten gemaakt met de herhaaldelijk ondeugdelijke motivering van de weigering. Dat lijkt me een juist oordeel.
Indien u naar aanleiding van deze nieuwsflits of anderszins vragen en/of opmerkingen heeft, dan verneem ik die graag. U kunt mij bereiken via telefoonnummer 020-3058383.